HET FALEND TOEZICHT VAN DE RIJKSWET FINANCIEEL TOEZICHT

Door schade en schande moet Curaçao leren

Download as PDF

INTRODUCTIE

De Nederlandse regering heeft de regeringen van de zogenoemde CAS-eilanden (Curaçao, Aruba en Sint Maarten) recentelijk een document[1] doen toekomen, waarin opgenomen de aanpak van een uitvoerige reeks beleidsvoornemens, gericht op het bevorderen van de welvaart van de ingezetenen van de CAS-eilanden. Hoewel de doelstelling van het document lovenswaardig is, is de manier waarop het gepresenteerd is, onnodig provocerend.

De beleidsvoornemens, die gepresenteerd zijn in matrices bij het betreffende document, zijn noodzakelijk en hadden al lang moeten plaatsvinden. Een effectieve uitvoering van de voorgestelde analyses en de uiteindelijke implementatie van de aanbevelingen zal ongetwijfeld bijdragen aan de verbetering van macro-economisch beleid en uiteindelijk ook aan verbetering van de leefomstandigheden van de ingezetenen van de CAS-eilanden.

Desalniettemin, afgezien van de goedbedoelde beleidsdoelstellingen die in het document zijn opgenomen, is de manier waarop Nederland, waar men transparantie en good governance hoog in het vaandel heeft, het document geïntroduceerd heeft, opmerkelijk. Het document is als “geheim document” gepresenteerd en de regeringen van de CAS-eilanden hebben niet meer dan 4 dagen om te kunnen reageren op het 218-pagina’s tellend document, waarvan de inhoud wel vergaande gevolgen heeft voor de eilanden. Als niet kan worden gewaarborgd dat het document met de nodige integriteit kan worden behandeld, zijn de voornemens gedoemd te mislukken.

ANALYSE

Opvallend is dat veel van de beleidsvoornemens in het document gelijkenis vertonen met het beleid dat Nederland voerde tijdens de KABNA-periode. Denk hierbij aan de diverse entiteiten zoals het NPMNA, opgericht om de nodige economische activiteiten in de Nederlandse Antillen te stimuleren. Bij het terugdraaien van het eerdere beleid van de Nederlandse regering ten aanzien van de voormalige Nederlandse Antillen, zijn deze entiteiten voortijdig geëlimineerd.

Een zorgvuldige analyse van het document brengt verschillende verontrustende denkfouten aan het licht, waar het document op gebaseerd is. Een van deze fouten is dat de kwestie van de arbeidsmarkthervormingen gedefinieerd wordt zonder een gedegen analyse van het probleem. Als de analyses en uiteindelijke oplossingen gebaseerd zijn op ongefundeerde beweringen of onjuiste analyses, zullen de uiteindelijke aanbevelingen niet bijdragen aan een oplossing van het probleem.

De knelpunten van de arbeidsmarkt hebben niet alleen te maken met flexibiliteit maar ook met mobiliteit. Uit verschillende uitspraken van het Gerechtshof hieromtrent kan geconcludeerd worden dat onze arbeidsmarkt niet zo rigide is als op het eerste gezicht lijkt. En toch zal, gezien de omvang van onze markt en de mobiliteit van met name gekwalificeerde arbeidskrachten binnen het Koninkrijk, iedere aanpassing of verschuiving in de vraag naar arbeidskrachten een evenredige aanpassing of verschuiving in het aanbod van arbeidskrachten als gevolg hebben. De geconstateerde uitkomst is het resultaat van de vrije interactie tussen het aanbod van en de vraag naar arbeidskrachten. Periodes van geringe vraag naar arbeidskrachten gaan samen met emigratie van geschoolde werknemers naar Nederland. De onacceptabel hoge werkloosheid in het laaggeschoolde segment van de arbeidsmarkt, is dan ook eerder het resultaat van een mismatch tussen vraag en aanbod dan de rigiditeit van de arbeidsmarkt.

Het document lijkt erop te wijzen dat binnenlandse consumptie gestimuleerd moet worden. In een kleine open economie vormt de betalingsbalans een harde beperking voor binnenlandse consumptie. Ongeremde consumptie zal de deviezenvoorraad van het land onder druk zetten, waardoor de stabiliteit van de vaste koppeling ondermijnd wordt.

Een ander belangrijk aspect in het document, is dat er onvoldoende rekening gehouden wordt met het schaalprobleem van de omvang van onze (kleine) economie. De maximaal haalbare efficiency van bepaalde activiteiten kan beperkt zijn door de (beperkte) omvang van onze markten. In de utiliteitssector bijvoorbeeld, is de kwestie van maximaal haalbare efficiency cruciaal voor de cost of doing business, een van de doelstellingen van het document.

Enerzijds wordt in het document de begrotingsbeperking van de publieke sector erkend, terwijl er anderzijds gesteld wordt dat de noodzakelijke structurele hervormingen in principe door de regering gefinancierd moeten worden. Deze stelling komt erop neer dat die hervormingen (een doelstelling van het document) gegarandeerd nooit geïmplementeerd zullen worden. Het document creëert namelijk onnodige onzekerheden door bij voorbaat niet vast te stellen in hoeverre de Nederlandse overheid zal bijdragen aan de financiering van de nodige hervormingen. Deze onzekerheid draagt zeker niet bij tot een verbetering van het investeringsklimaat – een andere doelstelling van het document.

De meeste tekortkomingen in het financieel beheer van de publieke sector zijn het gevolg van bezuinigingen op voorgaande begrotingen. Om de afgesproken doelstellingen te halen, implementeerde de overheid een personeelsreductie zonder rekening te houden met kwalificaties en vaardigheden die nodig zijn voor het ambtenarenapparaat.

Een andere kwestie in het document waarbij voorbij wordt gegaan aan onze realiteit, is de stelling dat de hoge loonkosten (public wage bill) in lijn gebracht moeten worden met het Caribische gemiddelde. Wil het aantrekkelijk zijn voor pasafgestudeerden om naar onze eilanden terug te keren, dan dienen de salarissen en secundaire arbeidsvoorwaarden vergelijkbaar te zijn met die van de concurrentie in Nederland en de VS. Geen enkele pasafgestudeerde zal een goedbetaalde baan in Nederland verruilen voor Caribische honoraria.

Met betrekking tot de financiële sector van Curaçao (en die van Sint Maarten en Aruba overigens ook) kan het volgende gezegd worden. Het merendeel van de markt bestaat uit instellingen met goed gereguleerde buitenlandse aandeelhouders. Om aan de hand van het faillissement van één bank te concluderen dat de stabiliteit van de hele financiële sector in het geding is (een conclusie die getrokken wordt in het document), is zeer speculatief en ongegrond.

Het is echter een raadsel waarom, hoewel het document bedoeld is om de welvaart van de ingezetenen van de CAS-eilanden te bevorderen, er geen bezuinigingen worden voorgesteld op repressieve justitiële maatregelen, ten koste van hardnodige verbeteringen op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg en armoedebestrijding – doelstellingen van het document.

CONCLUSIE

Ondanks de beleidsdoelstellingen van het document, die wel degelijk substantieel zouden bijdragen aan de kwaliteit van beleidsvorming in de CAS-eilanden, is het document resoluut afgewezen door alle drie de eilanden. In het geval van Sint Maarten, wordt het besluit van de overheid ook nog ondersteund met een motie van het parlement. Al deze afwijzingen zijn gebaseerd op politieke gronden en het feit dat het document de pijler van de democratie, namelijk het budgetrecht van het parlement[2], onderuit haalt.

Gezien de ingrijpende gevolgen die het coronavirus heeft voor de economieën en de inwoners van de CAS-eilanden, rijst dus de vraag “hoe nu verder?”. Vanwege het onvervreemdbaar budgetrecht van de parlementen, moeten er passende manieren en middelen gevonden worden om verder te kunnen.

De situatie van Aruba verschilt wezenlijk met die van Curaçao en Sint Maarten. Als Aruba een soortgelijke behandeling toebedeeld krijgt als Curaçao en Sint Maarten, toen de laatsten in 2009 akkoord gingen met het instellen van toezicht door de Rijksministerraad, dan zou Aruba volledig moeten instemmen met het voorstel, met inachtneming van het budgetrecht van het parlement. Niet alleen zal dit een substantiële verbetering betekenen van de kwaliteit van beleidsvorming op Aruba, het zal ook leiden tot een directe drastische verlaging van Aruba’s schuldquote, van het huidige onhoudbare niveau terug naar 30%. Ook komen zo de hoognodige financiële middelen vrij, die nu gealloceerd zijn voor de rentelasten voor het aflossen van de huidige staatsschuld. Instemmen met het voorstel zou heel goed kunnen leiden tot een structurele surplus op de algemene begroting van de regering van Aruba.

Curaçao en Sint Maarten kennen een andere situatie. Hun ervaring met het toezicht door de RMR wordt overschaduwd door mislukking. De RMR is niet in staat gebleken haar toezichtfunctie op een effectieve manier te vervullen en heeft, ondanks de Rft en haar constituerend orgaan, het Cft, jammerlijk gefaald. De schuldquote van beide landen is, zelfs bij een correctie vanwege de impact van het coronavirus, sinds 10-10-10 gestaag toegenomen, waarmee de stabiliteit van de overheidsfinanciën van beide landen wordt ondermijnd. Daarom is enige voorzichtigheid geboden bij het oprichten van nieuwe instellingen die functies moet vervullen waartoe ze wellicht niet adequaat zijn toegerust.

Om de algemene doelstellingen van dit document te behalen, reikt de hierin voorgestelde aanpak mijns inziens om verschillende redenen niet ver genoeg om de structurele onevenwichtigheden in de context van de omvang van onze economie aan te kunnen pakken. Om te beginnen is het nut van een gemeenschappelijke centrale bank (voor Curaçao en Sint Maarten) afhankelijk van de beslissing om wel of niet over te stappen op de dollar. Ten tweede, de functies van SVB, APC, KORPODEKO en OBNA kunnen allemaal op Koninkrijksniveau gedaan worden middels bestaande Nederlandse entiteiten, waardoor de kosten voor de gemeenschap structureel verlaagd zouden worden.

Willen we duurzame overheidsfinanciën en gezond macro-economisch beleid bereiken, dan dient de omvang van de publieke sector consistent te zijn met onze economische realiteit. Als wij echter onze hoop en ambities richten op de realiteit van het Koninkrijk, dan zijn bepaalde basis overheidsfuncties en voorzieningen alleen te garanderen bij het bereiken van schaalvoordeel op Koninkrijksniveau.

Derhalve vereist de weg vooruit een veel bredere discussie dan die nu, met de huidige aanpak van de Nederlandse regering, mogelijk is. Mijn aanbeveling is dan ook dat de huidige discussie in het kader van de coronacrisis wordt stopgezet. Curaçao en Sint Maarten zouden onvoorwaardelijke overbruggingsfinanciering moeten aantrekken voor dit begrotingsjaar, om de noodzakelijke budgettaire ruimte te krijgen waarmee de ophanden zijnde instorting van onze productieve capaciteit aangepakt kan worden. Dit dient samen te gaan met een samenwerking met de Nederlandse regering, waarbij kan worden vastgesteld wat de beste manier is om de noodzakelijke beleidsvoornemens van het document te implementeren, met inachtneming van het budgetrecht van het parlement en de oprichting van een efficiënte en effectief instelling, om de algemene doelstellingen voor beide landen te bereiken.


[1] Liquiditeitssteun (3e tranche) en voorwaardenpakket landen, 6 juli 2020.

[2] [2] Vide “20-00357/Curaçao/advies Rijkswet Hervormingsentiteit” door Prof. dr. Arjen van Rijn, DECLERCQ Advocaten-Notariaat, 9 juli 2020

Scroll to Top