CBCS-BELEID LEGT MICROKREDIETVERSTREKKERS MAXIMUM APR OP

Monetair beleid, sociaal predikant, of de rechter die bestuurt?

Download as PDF

Op 5 mei 2017[1] zijn door de Centrale Bank van Curacao en Sint Maarten (CBCS) nieuwe APR (effectieve rentevoet)-voorschriften uitgevaardigd voor alle lokaal-opererende kredietverstrekkers op Curaçao en Sint Maarten. De nieuwe voorschriften zijn ingevoerd krachtens artikel 45, lid 2 van de Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen, PB. 1994 no. 4 (“LTBK”)[2] en werden als voorschriften verbonden aan alle individuele vergunningen of dispensaties verleend op grond van artikel 58 van de LTBK.

Bij de oorspronkelijke APR-voorschriften die in 2004 door de Bank van de Nederlandse Antillen zijn uitgegeven, werd uitgegaan van de gedachte dat, vanuit het oogpunt van toezicht, de consument moet beschikken over voldoende informatie van een kredietinstelling en/of een instelling die deposito’s mag aannemen, om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen. Ditzelfde geldt voor de publicatie van de jaarrekeningen van deze instellingen. De toezichtfilosofie die door de CBCS[3] wordt gehanteerd, is gebaseerd op drie pijlers en gaat uit van gedeelde verantwoordelijkheid van de onder toezicht staande instellingen, klanten en toezichthouder. Door het elimineren van asymmetrische informatie voor de consumenten, zijn deze kennelijk beter in staat een weloverwogen besluit te nemen ten aanzien van hun relatie met de onder toezicht staande financiële instellingen[4].

De effectieve rentevoet (APR) is een meer omvattende berekening van de kosten van het lenen van geld. De APR weerspiegelt het rentetarief en andere kosten die een leningnemer moet betalen voor een lening. Daarom is de APR meestal hoger dan de wettelijke rente.

De geactualiseerde APR-voorschriften van 5 mei 2017 zijn een uitbreiding van de voorschriften van 2004 door de introductie van een maximum APR. Het voorschrijven van een maximum APR kan echter beschouwd worden als zijnde in strijd met de oorspronkelijke bedoelingen achter de APR-voorschriften. Zoals hierna wordt aangevoerd, ontbreekt niet alleen de wettelijke basis voor dit beleid, maar druist het ook in tegen een van de kerntaken van de CBCS, namelijk het bevorderen van de stabiliteit van de vaste koppeling van de gulden aan de dollar.

Aangaande toezichtfilosofie van de CBCS, rijst de vraagt of het maximum APR-beleid gebaseerd kan zijn op de verkeerde gedachte dat leners van microkrediet dezelfde bescherming toegekend moet worden als schuldeisers van deposito-instellingen[5].

Door het instellen van een maximum APR, doet de CBCS in feite aan prijsregulering, een mechanisme wat (zij het in de vorm van loonkosten, verzekeringskosten of kredietkosten) in het verleden gebruikt is als manier om direct in te grijpen in de economie om bepaalde macro-economische doelen te bereiken. Prijsregulering kan plaatsvinden in de vorm van een minimumprijs (zoals bijvoorbeeld het minimumloon), ook wel bodemprijs genoemd, of een maximumprijs, oftewel prijsplafond[6].

Bij een markteconomie zoals wij die kennen, wordt het prijsmechanisme gebruikt om middelen efficiënt aan te wenden door de vraag naar en het aanbod van bepaalde goederen en diensten in evenwicht te brengen. Overheidsinterventie door het invoeren van een minimum- of maximumprijs zal leiden tot onjuiste allocatie van middelen, door het creëren van een overschot of tekort aan de goederen/diensten in kwestie. Zo zal een maximumprijs die lager is dan de marktprijs leiden tot een stijging van de gevraagde hoeveelheid, wat tegelijkertijd zorgt voor een afname van het aanbod, waardoor een tekort ontstaat. Evenzo leidt een minimumprijs/-loon hoger dan de marktprijs/-loon tot een overschot/werkloosheid.

Waar het gaat om de rentevoet dient men rekening te houden met wat de feitelijke rentevoeten, oftewel de nominale rentevoeten inhouden en wat de betekenis en functie daarvan is, alvorens aan prijsregulering te doen. De rentevoet speelt een cruciale rol in het vaststellen van een efficiënte allocatie van financiële middelen in een marktsysteem. De nominale rentevoet is de som van de reële rentevoet, die de marginale productiviteit van kapitaal weergeeft, en een premie voor het verwachte inflatiepercentage[7]. Door het fixeren van de nominale rentevoet, gaat men in feite uit van een verwacht inflatiepercentage van nul. Om deze valkuil te vermijden, wordt de wettelijke rente gedefinieerd als de beleningsrente, zoals door de CBCS gepubliceerd, plus twee procentpunten. Deze definitie betekent dat er impliciet vanuit wordt gegaan dat de beleningsrente variabel is en daarmee de verwachtingen met betrekking tot de inflatie vastlegt, wat de wettelijke rente dus flexibel maakt.

In het geval van de APR, hebben zowel de CBCS als het Gerecht[8] een rigiditeit in de kredietmarkt geïntroduceerd. Diens beleid/jurisprudentie zorgt niet alleen voor inefficiënte allocatie, maar het benadeelt kredietverstrekkers in periodes van inflatie ten opzichte van kredietnemers, terwijl bij deflatie kredietverstrekkers worden bevoordeeld ten koste van kredietnemers.

Als het gestelde doel van de CBCS is het voorkomen van overkreditering, dan lijkt een maximum APR als beleidsinstrument niet te bereiken wat ermee wordt beoogd. Een maximum APR stimuleert juist de vraag naar krediet door de rentevoet kunstmatig laag te houden en zal de markt voor dit soort vormen van krediet afschermen van het corrigerend effect van het prijsmechanisme. Overkreditering zou aangepakt moeten worden door het reguleren van hetzij de vraag naar of het aanbod van krediet. Als de CBCS zich dat ten doel wil stellen, moet eerst het begrip overkreditering duidelijk worden gedefinieerd en dienen kwantitatieve doelstellingen vastgesteld te worden om te kunnen meten in hoeverre de beleidsdoelstellingen worden bereikt.

Het ontbreken van een exacte duiding van ‘overkreditering’ en kwantitatieve doelstellingen impliceert dat beleidsfouten en de gevolgen daarvan voor de economie, nooit gecorrigeerd zullen worden. Daarbij komt dat de kwestie van governance in een belangrijk segment van de kredietmarkt blijft ‘hangen’ aangezien er geen verantwoording kan of zal worden afgelegd ten aanzien van het maximum APR-beleid.

Als de Bank om legitieme macro-economische redenen het kredietaanbod wil reguleren, dan biedt de LTBK daar genoeg instrumenten voor. De Bank kan kredietrestricties opleggen als directe maatregel, of indirecte maatregelen toepassen, zoals een verhoging van de rente middels open-markttransacties, de verkoop van CD’s, moral suasion, enz. Hierbij moet echter worden opgemerkt dat de Bank het nemen van directe maatregelen heeft losgelaten omdat die marktverstoringen veroorzaken. Ook het IMF heeft in diverse consultaties landen geadviseerd om geen directe maatregelen in te zetten voor het beheersen van de geldvoorraad en kredietverschaffing.

Op microniveau bezien, ging het Bankbeleid er vanuit dat de regulering van verzekeringspremies en rentetarieven in het gebied van prijsregulering vallen en bevoegdheden zijn van de overheid. De overheid beschikt over verschillende instanties die uitvoering kunnen geven aan prijsreguleringsbeleid, zoals gebeurt bij het bepalen van het minimumloon, benzineprijzen, water- en elektratarieven, verzekeringspremies, etc. De belangrijkste reden in het verleden voor de Bank om zich niet te bemoeien met het reguleren van rentetarieven op sociale gronden, is het feit dat de Bank monetair beleid als kerntaak heeft. Inmenging in het reguleren van rentetarieven kan leiden tot tegenstrijdige doelstellingen, die de overkoepelende monetaire doelstelling van de Bank in de weg kunnen staan.

Om voldoende deviezenvoorraad van het land te waarborgen, kan het monetair beleid nopen tot het verhogen van het rentepercentage om de uitstroom van kapitaal in te dammen. Gaat echter de Bank zich, net als het Gerecht, bezighouden met het reguleren van de rentetarieven op sociale en morele gronden, dan zal een verhoging van de rente met het doel de deviezenvoorraad te waarborgen, direct in strijd zijn met het maximum APR-beleid van de CBCS.

Het mag duidelijk zijn dat, afgezien van de vraag of er een wettelijke basis is voor het vaststellen van een maximum APR, deze beleidskeuze van de CBCS rechtstreeks strijdig is met haar kerntaak, namelijk het bevorderen van de stabiliteit van de vaste wisselkoers. Het enige doel van monetair beleid is de stabiliteit van de munteenheid. Beleidsdoelstellingen gebaseerd op prudentiële, morel of sociale gronden, zijn van secundair belang voor het overkoepelende doel van de stabiliteit van de wisselkoers.

Dit brengt mij op de kwestie van de autonomie van de Centrale Bank. Voorstanders van autonome centrale banken voeren aan dat, indien een centrale bank belast wordt met een nauw gedefinieerd doel, zonder politieke inmenging, het aannemelijker is dat het doel wordt bereikt. De gedachtegang is dat doorgewinterde politici, met het oog op de periodiek terugkerende verkiezingen geneigd zullen zijn politieke afwegingen te maken ten koste van het bereiken van bepaalde macro-economische doelen. Daarom wordt de kwestie van bijvoorbeeld prijsstabiliteit, traditiegetrouw toevertrouwd aan een autonome centrale bank.

Door de kerntaken van de Bank uit te breiden, verhogen beleidsmakers het risico op intern conflicterend beleidselementen voor de centrale bank, waarmee de gedachtegang achter de autonomie wordt ondermijnd[9]. Globalisering, technologische vooruitgang, en het misbruiken van het financieel systeem voor criminele activiteiten, hebben gemaakt dat de taken van centrale banken door beleidsmakers zijn uitgebreid, en daarmee vaak de kerntaken van de centrale bank vertroebelden.

Recentelijk heeft de CBCS bijvoorbeeld de bevoegdheid gekregen om gedragstoezicht uit te oefenen. Marktgedrag valt traditioneel gezien binnen het Structure-Conduct-Performance-paradigma[10] uit de discipline ‘industriële economie’. De vraag is dan of marktgedrag niet de verantwoordelijkheid zou moeten zijn van de onlangs opgerichte Fair Trade Authority Curacao (FTAC).

Gesteld kan worden dat, indien er sprake is van een concurrerende markt voor microkrediet zoals het SCP-paradigma beschrijft, de werking van de markt meer in lijn zal zijn met de door de CBCS en het Gerecht gestelde doelen, en overheidsingrijpen in die markt door middel van een maximum APR dus niet langer nodig is. Door die verantwoordelijkheid toe te wijzen aan de FTAC, kan de CBCS zich richten op haar kerntaak, namelijk het bevorderen van de stabiliteit van de vaste wisselkoers, waarmee ook het risico op tegenstrijdig beleid wordt verminderd.

Deze discussie maakt duidelijk dat er behoefte is aan het creëren van een rechtsgrondslag voor een maximum APR. Het zet ook vraagtekens bij de buitenproportionele belasting van het Gerechtshof, gevormd door kwesties – waarvoor wetgeving ontbreekt – die vakinhoudelijke kennis vereisen waar het Hof niet (direct) over beschikt. Als de rechter sturend optreedt in een kleine economie als die van ons heeft dat onbedoelde gevolgen, zoals inmenging met het functioneren van het markmechanisme, met alle gevolgen van dien voor de economie. Beleidsmakers moeten zich bewust zijn van deze issues die behandeld moeten worden als onderdeel van de totale structurele hervormingen ter bevordering van het functioneren van onze economie.


[1] https://www.centralbank.cw/legislation-guidelines/conduct-supervision/provisions

[2] Deze rechtsgrondslag wordt door velen ter discussie gesteld. Sommigen beargumenteren dat het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften conform artikel 6 van de LTBK een meer solide wettelijke basis biedt voor het hanteren van een maximum APR.

[3] De wettelijke opvolger van de Bank van de Nederlandse Antillen

[4] www.centralbank.cw

[5] Het beleid van de CBCS is mogelijk beïnvloed door in Nederland gevoerd beleid met betrekking tot maximale rentepercentage en diverse recente gerechtsuitspraken over wat geacht wordt als moreel verantwoordelijk percentage. Wellicht heeft de CBCS over het hoofd gezien dat in Nederland het maximum rentepercentage op een wettelijk mandaat is gebaseerd, terwijl de recente uitspraak van de rechter zou neerkomen op een ‘regering door rechters’. Deze verklaring rechtvaardigt de huidige beleidskeuze van de CBCS echter niet. Voorgaande beleidskeuze van de CBCS die geen rechtsgrondslag hadden, werden altijd vastgelegd in ‘gentlemen’s agreements’ met de representatieve organisaties.  

[6] Zie Prijscontrole op Wikipedia

[7] Irving Fisher, The Theory of Interest, New York, MacMillan Company, 1930.

[8] De kwestie van maximum APR was onderwerp van diverse administratieve en civiele rechtszaken. Voor annotaties hierover, zie ‘Besluit of Beschikking’ van dr. J. Sybesma, Caraïbisch Juristenblad 2019 (8) I.

[9] Een goed voorbeeld hiervan is de recente politisering van de toezichttaak van de CBCS door de Koninkrijksregering.

[10] Volgens het structuur-gedrag-prestatie paradigma hangt de prestatie van een sector samen met het gedrag van de bedrijven, dat op zijn beurt bepaald wordt door de marktstructuur. Marktstructuur wordt bepaald door verschillende factoren zoals het aantal kopers en verkopers in een bedrijfstak, de heterogeniteit van producten en de kosten van toetreding en uittreding. Onder gedrag wordt verstaan een aantal specifieke acties die een bedrijf kan nemen, zoals productdifferentiatie, stilzwijgende collusie, en exploitatie van marktmacht. De prestatie van een bedrijf kan worden gemeten aan de hand van diverse indicatoren zoals productieve efficiency, allocatieve efficiency en winstgevendheid.

Scroll to Top